De vrijheid om voor de NIPT te kiezen weegt zwaarder dan stigmatisering.

iStock_000024500823Small

De vrees voor informele stigmatisering van vrouwen die voor een kind met Down kiezen ondanks voorafgaande bekendheid hiervan weegt minder zwaar dan de individuele vrijheid om te kiezen voor de NIPT.

Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber (ChristenUnie) heeft zich in de media uitgesproken over de stigmatisering of negatieve beeldvorming die het beschikbaar maken van de NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test) teweeg zal kunnen brengen. De nieuwe test heeft, in tegenstelling tot de al beschikbare tests (de vlokkentest en vruchtwaterpunctie), het voordeel dat er geen risico is op een miskraam. Het gemak waarmee de test kan worden toegepast alsook onwetendheid bestaande onder zwangere vrouwen zijn voor Dik-Faber redenen om hier voorzichtig mee om te gaan. Sterker, het onvoorwaardelijk beschikbaar maken van de NIPT zal er volgens haar voor zorgen dat vrouwen met een kind met het Downsyndroom zich zullen moeten verantwoorden tegenover anderen en zo wijdverspreide stigmatisering in de hand werkt. Los van de vraag of de vrees voor stigmatisering reëel is mag dit mijns inziens geen afbreuk doen aan de individuele vrijheid van iedere vrouw om onvoorwaardelijk voor de NIPT te kunnen kiezen.

De bovengenoemde politica pleit voor een inclusieve samenleving “waar iedereen welkom is, ongeacht beperkingen of talenten.” Dik-Faber plaatst als zodanig ethische kanttekeningen bij de gevolgen van het onvoorwaardelijk beschikbaar stellen van de test. Er bestaat de vrees dat er uiteindelijk een ‘Down-loze’ samenleving zal ontstaan. Ze zegt hierover: “We zien dat het steeds minder begrepen wordt als je de test niet doet. In landen als Denemarken en IJsland worden alle zwangere vrouwen gescreend als zij een kindje verwachten met Downsyndroom. In Denemarken wordt 98 procent [van de zwangerschappen] afgebroken, in IJsland 100 procent. Dat is een scenario wat ik niet goed voor me zie als het gaat om Nederland.”

 

Het christelijk gedachtegoed en een Down-vrije samenleving

Voormalig lijsttrekker Arie Slob deelt de vrees van Dik-Faber in deze kwestie. Zo pleitte hij op een partijcongres vorig jaar eveneens voor een ‘Downbehoudende’ samenleving: “Welke beperking je ook hebt, ieder kind mag geboren worden. Wij willen geen Down-vrije samenleving!”.

Opererend vanuit het christelijke gedachtegoed zijn de redeneringen van de politici goed te begrijpen. Vanuit dit perspectief is namelijk ieder leven een geschenk van God en dit dient als zodanig gewaardeerd te worden. Morrelen in het zwangerschapsproces is in dat opzicht een verstoring van iets dat ‘zo had moeten zijn’. Het is daarom niet verrassend dat een verhoogde frequentie van abortus als gevolg van betere, risicovrije —en in dit geval onvoorwaardelijke— diagnostiseringsmethodieken voor aanhangers van de ChristenUnie niet als vooruitgang wordt gekwalificeerd, maar eerder worden gevreesd of op morele gronden worden afgekeurd.

Dát het eenvoudiger beschikbaar stellen van de NIPT voor een verhoogde maatschappelijke druk kan zorgen om de test te doen is een legitieme zorg en moet uiteraard serieus genomen worden. Maar dit mag niet zwaarder wegen dan de mogelijkheid van de zwangere vrouw om op basis van individuele vrijheid voor de NIPT te kunnen kiezen.

En wat is er nu precies mis met het streven naar een Down-vrije samenleving? Dit impliceert namelijk geenszins dat de nog bestaande individuen met het syndroom (wettelijk) benadeeld worden. Het is zogezegd geen verwijt naar bestaande kinderen met de aandoening. Het is zeker geen signaal dat bestaande of toekomstige kinderen met Down niet welkom zijn. In die zin zijn de opmerkingen van Dik-Faber en Slob mijns inziens onzinnig en niets meer dan lege retoriek te noemen.

Het is de taak van de overheid om te garanderen dat kinderen die op grond van een vrije keuze wel met het syndroom geboren worden wettelijk gezien gelijkwaardig zijn aan kinderen zonder de aandoening. Wanneer dit wordt gegarandeerd zijn kinderen met de aandoening net zo welkom als kinderen zonder de aandoening. Natuurlijk sluit dit stigmatisering van ouders die voor een kind met het syndroom kiezen niet uit. Maar niet-wettelijke stigmatisering kan en mag niet zwaarder wegen dan de individuele vrijheid van zwangere vrouwen om voor de NIPT te kunnen kiezen. Individuele vrijheid is een groot goed en moet gegarandeerd worden zolang dit geen afbreuk doet aan de vrijheid van de ander.

 

Technologische ontwikkeling en respect voor Down

Uiteraard neemt het bovenstaande niet weg dat ontwikkelingen op het gebied van genetische screening en de beschikbaarheid daarvan voor de bevolking beoordeeld moeten blijven worden door experts en andere belanghebbenden in het veld. Zo kan men zich afvragen of het onvoorwaardelijk beschikbaar maken van screening van ernstige ziektes niet het begin zal inluiden van een tijdperk waarin de betekenis van ziekte en gezondheid zodanig verschuiven dat het maatschappelijke ontwrichting tot gevolg kan hebben. Het is daarom van het grootste belang dat men ethische vragen omtrent dergelijk onderzoek blijft stellen en ingrijpt waar dit nodig blijkt. Niet zelden hobbelt beleid achter de snelheid van wetenschappelijke ontwikkelingen aan en derhalve is tijd en voorzichtigheid gewenst.

Hieruit volgt echter niet dat de individuele vrijheid om voor de NIPT te kiezen voorwaardelijk moet blijven vanwege de vrees voor stigmatisering en een Down-vrije samenleving als mogelijk gevolg hiervan. Los van de vraag of deze vrees werkelijk gegrond is moet men erkennen dat het eventueel afstevenen naar een Down-vrije samenleving geenszins verminderd respect voor (nog) bestaande mensen met het syndroom hoeft in te houden. En zeker niet in een land waar individuele vrijheid zo hoog in het vaandel staat als in Nederland.

 

Zie ook: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1183/De-vrijheid-om-voor-de-NIPT-te-kiezen-weegt-zwaarder-dan-stigmatisering

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Hoe het ontbreken van een objectieve toetssteen een islamitische typering van IS mogelijk maakt.

Als er één vraag bestaat die nog steeds relevant lijkt, is het hoe we het handelen van de IS dienen te kwalificeren. De meningen hierover lopen sterk uiteen. Daar waar sommige experts benadrukken dat IS’ handelen alles behalve een islamitische grondslag heeft, wordt deze eerste opvatting door sommigen afgeschreven als een uiting van (politieke) correctheid. Zo dient IS’ handelen volgens alternatieve benaderingen als islamitisch pur sang te worden opgevat.

140619_isil_iraq_mn_905_f8e475

Dat IS’ handelen vanuit een humaan standpunt gruwelijk is staat niet ter discussie. Zo is het evident dat menig christen, atheïst, jood en een overgrote meerderheid van moslims zich (openlijk) distantiëren van zowel de gruwelijkheid van IS’ handelen alsook hieraan voorafgaande (religieuze) legitimeringen. Rechtvaardigheidsgevoelens alsook empathische vermogens lijken op het eerste gezicht dieper en uniformer geworteld in de huidige menselijke natuur dan de overdaad aan categorieën waarin we individuen maar al te graag willen plaatsen doet suggereren. Echter zijn het nu juist mogelijke religieuze legitimeringen die onderzocht moeten worden. Dit is niet enkel interessant voor theoretici, maar het lijkt ook van belang voor een effectieve ontmanteling van IS’ functioneren.[1]

Over de legitieme vraag of en in welke mate religieuze ideologie als werkelijke drijfveer functioneert in diegenen die heil vinden als IS-aanhanger wil ik hier niet ingaan. Ook zal ik niet uitweiden over de praktisch relevante vraag in welke mate andere factoren (zoals sociaaleconomische status, marginalisering en discriminatie) leiden tot radicalisering. Wel zal ik hier een meer abstract punt maken en betogen dat er potentieel gevaar huist in religieuze geschriften op zichzelf beschouwd. En de voornaamste reden die ik zal beschrijven is dat dit met name komt doordat deze een spectrum van interpretaties toestaan zonder dat er een onafhankelijke objectieve toetssteen bestaat aan de hand waarvan dergelijke interpretaties als ongeldig dan wel valide kunnen worden gekwalificeerd. Tevens zal ik benadrukken dat het nu juist deze ambiguïteit is dat als carte blanche kan functioneren voor de rechtvaardiging van om het even welk handelen—zelfs indien de achterliggende interpretatie radicaal afwijkt van de norm (vox populi).

 

Een spectrum van interpretaties

Binnen de islam bestaan er verschillende geleerden, en de hoogste autoriteit wat betreft kennis van de islamitische geschriften wordt vaak toegekend aan de ‘oelama’.[2] Toch zien we een grote verscheidenheid aan stromingen binnen de islam, en elke stroming houdt er haar eigen interpretatie van de geschriften op na.[3] Men zou misschien zelfs kunnen stellen dat er net zoveel interpretaties bestaan als dat er gelovigen zijn. Deze diversiteit als gegeven op zichzelf geeft op het eerste gezicht al blijk van de onenigheid die er bestaat wat betreft de status van de geschriften in kwestie en de interpretatie van de inhoud ervan.[4] Dat er op grond van deze onenigheid sektarische conflicten ontstaan is niet enkel betreurenswaardig te noemen, ook geeft het radicale groeperingen als IS de mogelijkheid om rechtvaardiging te vinden in haar eventuele ideologische grondvesten simpelweg omdat er geen onafhankelijk, objectief criterium is dat dit fundament ipso facto kan ondermijnen.

 

Het ontbreken van een objectief criterium

Bij de bepaling van het islamitische gehalte van groeperingen als IS blijkt het verleidelijk om dit gehalte überhaupt geen bestaansrecht te verstrekken.[5] In lijn met deze opvatting is de observatie dat de overgrote meerderheid van de totale moslimpopulatie zich lijkt te distantiëren van IS’ handelen.[6] De genoemde verleidelijkheid is vanuit een politiek-strategisch perspectief misschien te verklaren doordat het ontkennen van het islamitische gehalte van IS overeenstemt met de negatieve houding die de meeste moslims ten aanzien van IS innemen. Hier haaks tegenover kan een dergelijke strategie haar politieke vruchten afwerpen door IS’ handelen juist wél te karakteriseren als islamitisch van aard.[7] Over de vraag of de IS strikt genomen wel of niet handelt in overeenstemming met islamitisch gedachtegoed zoals het bedoeld is kan men eindeloos speculeren. En het is mijns inziens het ontbreken van een objectief criterium dat uitsluitsel van een valide interpretatie onmogelijk maakt. Maar de opvatting dat het handelen van IS geen enkele relatie heeft met islamitisch gedachtegoed is mijns inziens niet enkel theoretisch onhoudbaar, maar simpelweg paradoxaal.

Afgaande op de genoemde onenigheid wat interpretaties betreft, kan men concluderen dat er een breed spectrum aan mogelijke interpretaties bestaat, waarbij er sprake is van een geleidelijke progressie van uiterst strikte (of fundamentele) interpretaties aan de ene kant van het spectrum naar uiterst liberale interpretaties aan de andere kant.[8] Het is hier waar de epistemologische moeilijkheden de kop opsteken. Zelfs wanneer we veronderstellen dat Allah werkelijk bestaat, en de inhoud van de Koran beschouwen als diens woord, moeten we tegelijkertijd erkennen dat er zich een probleem van interpretatie voordoet. Immers, de inhoud van de Koran kan op vele manieren geïnterpreteerd worden. Zelfs de grootste kenners van deze inhoud zullen moeten inzien dat ook hun lezingen één van de vele mogelijkheden weerspiegelt.

Verder kan men ook vraagtekens plaatsen bij de methoden die dergelijke experts—en zelfs ook Mohammed—toepassen om tot de conclusie te komen dat hun lezingen valide zijn. Wanneer men zowel huidige wetenschappelijke inzichten in de menselijke psyche als methoden tot kennisverbreding ter harte neemt, zijn openbaringen op zijn best ongeloofwaardig te noemen. Combineer dit gegeven met de vertelling dat sinds de opmerkelijke verschijning van aartsengel Gabriël (Rûh-ul-Emîn) en de benoeming van Mohammed als profeet, er een lange periode aanbrak waarin de oorspronkelijke beschrijving van de al betwijfelbare openbaring de kans heeft gehad drastisch te veranderen. Het is vanuit dit perspectief bekeken dan ook niet verwonderlijk dat er vele verschillende stromingen binnen de islam zijn ontstaan, en het salafistische gedachtegoed vormt er hier een van.[9]

 

Het islamitische gehalte van IS en haar legitimering

Allereerst moet het duidelijk zijn dat het salafistische gedachtegoed wordt aangehangen door een minderheid van de soennitische moslims in de wereld.[10] Dit betekent dat het geenszins een populaire stroming vormt, aangezien een overgrote meerderheid van (soennitische) moslims zich niet kunnen vinden in dit geheel van ultraorthodoxe opvattingen. Belangrijk hier echter is dat op grond van populariteit men geen objectiviteit kan afleiden. Aangezien er zoals hierboven beschreven geen onafhankelijke, objectieve toetssteen bestaat aan de hand waarvan bepaald kan worden welke interpretatie liggende op het eerder genoemde spectrum correct is kan elke interpretatie in abstracto als valide dan wel ongeldig worden beschouwd. In die zin kunnen fundamentele interpretaties eenzelfde graad van legitimiteit verkrijgen als haar liberale tegenhangers. Het salafistische gedachtegoed kenmerkt zich door een beroep te doen op striktheid wat interpretatie van de Koran—en enkel de Koran—betreft. Nu kan het verleidelijk zijn om de impopulariteit van het salafistische gedachtegoed in de moslimwereld op grond daarvan af te schrijven als niet-islamitisch van aard, maar dat berust mijns inziens op een denkfout: feit blijft dat het typerende verlangen naar de vroege dagen van de islam alsook de nadruk op een zo strikt mogelijke interpretatie van de Koran islamitisch par excellence is. Sterker, het zou met inachtneming van het eerder genoemde spectrum logischer zijn wanneer men zeer liberale interpretaties als minder islamitisch kwalificeert, aangezien deze interpretaties niet uitgaan van strikte conformiteit aan de Koran, maar andere (bijvoorbeeld contextuele en geschiedkundige) factoren als belangrijker uitgangspunt nemen.

 

Het potentiële gevaar van religieuze ideologie

Allereerst dient duidelijk te zijn dat ik geen enkele afkeer of wrok koester ten aanzien van gelovigen in het algemeen. Godsdienstvrijheid is iets dat waardevol is en past binnen een maatschappij die pluriformiteit en ander democratische waarden respecteert. Mijns inziens houdt de vrijheid van individuen op waar het de inperking van de vrijheid van anderen impliceert. Op grond van een andere vrijheid dat hoog in het vaandel staat—namelijk vrijheid van meningsuiting—geniet ik ook de bewegingsruimte om mij kritisch uit te mogen laten over ideologie, zonder daarmee de aanhangers van de ideologie zelf te bekritiseren of simpel aan te willen zetten tot haat. Het is evident dat er een duidelijk verschil bestaat tussen ideologie en haar aanhangers. De overdenkingen die hierboven beschreven staan brengen me in ieder geval tot de conclusie dat er potentieel gevaar huist in een ideologie (en dus niet in haar aanhangers) dat aan de volgende twee criteria voldoet:

  • Het object bevat geen objectief criterium voor validatie van interpretatie.
  • Bepaalde (strikte) interpretaties van het object staan geweld toe.

Afgaande op de segmenten van de geschriften die ik gelezen heb is dit van toepassing op alle drie de monotheïstische ideologieën (zoals deze tot uiting komen in de overeenkomstige geschriften). Dit zijn criteria die serieus genomen dienen te worden, en er moet gewaakt worden voor (politieke) correctheid. Het feit dat de overgrote meerderheid van hedendaagse moslims zich (gelukkig) distantiëren van IS’ handelen impliceert niet per definitie dat het motief van (enkele hooggeplaatste aanhangers van) IS als niet-islamitisch geclassificeerd dient te worden. Naast de genoemde correctheid speelt onwetendheid van de geschriften waarschijnlijk ook een doorslaggevende rol; op basis van vele discussies met gelovigen ben ik ervan overtuigd dat menig aanhanger geen weet heeft van wat er werkelijk in de corresponderende geschriften te vinden is. Het is in dit opzicht dan ook niet verrassend dat IS’ handelen ver van de persoonlijke ideologische kaders van menig moslim verwijderd lijkt te zijn. Deze distantie echter lijkt hier eerder het gevolg te zijn van rechtvaardigheidsgevoelens of empathische vermogens die de mens typeert, en is niet per definitie toe te schrijven aan de inhoud van de geschriften zelf.

Zie ook: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1048/Het-islamitische-gehalte-van-IS-en-haar-legitimering

[1] Zie: http://www.theatlantic.com/magazine/archive/2015/03/what-isis-really-wants/384980/.

[2] http://encyclopedia.thefreedictionary.com/Allamah.

[3] Deze diversiteit aan interpretaties is ook kenmerkend voor de andere twee monotheïstische godsdiensten, maar gezien de strekking van het onderwerp in kwestie ga ik hier verder niet op in.

[4] http://www.pewforum.org/2012/08/09/the-worlds-muslims-unity-and-diversity-executive-summary/.

[5] Zelfs Barack Obama ontkent haar islamitische karakter als zodanig, zie: https://www.youtube.com/watch?v=spIWGoNZnaU.

[6] Zie bijvoorbeeld: http://english.dohainstitute.org/content/6a355a64-5237-4d7a-b957-87f6b1ceba9b. En ook: https://www.youtube.com/watch?t=49&v=2Bd0Y6qWmlA.

[7] Zie bijvoorbeeld Wilders over het islamitische gehalte van IS: https://www.youtube.com/watch?v=Yl353uqTkuA.

[8] Voor een beknopt overzicht van de vele denominaties binnen islam, zie: http://www.majorreligions.com/islamic_denominations.php.

[9] Zie: http://www.theweek.co.uk/world-news/6073/what-is-salafism-and-should-we-be-worried-by-it.

[10] Zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Sunni_Islam#Adherents en https://en.wikipedia.org/wiki/Salafi_movement#Demographics.

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Diversiteit prijzen omwille van diversiteit: een prijzenswaardig criterium?

Vandaag viel mijn oog op een artikel waarin de filosoof Sebastien Valkenberg zijn visie geeft op de hedendaagse rol van diversiteit als criterium en de ogenschijnlijke inconsistentie vanuit feministische hoek waar het het belang van diversiteit aangaat. Valkenberg werd kort hierna kritisch beoordeeld door studente Emma den Brok en schrijfster Nikki Dekker. (Een repliek op de laatste twee is hier te vinden.)

Los van de artikelen in hierboven vind ik het vreemd dat diversiteit omwille van diversiteit positief wordt gewaardeerd, zoals de ‘werkgroep Diversiteit’ in Valkenbergs artikel doet vermoeden. Natuurlijk kan het benadrukken van diversiteit een positieve waarde hebben in de zin dat het de onwetende mens kan doen laten inzien dat voor menig beroep niet-relevante factoren (zoals afkomst, huidskleur, geslacht of seksuele geaardheid) in principe geen invloed dienen te hebben op de bekwaamheid voor het beroep in kwestie.

Het belangrijkste in deze kwestie is mijns inziens dat er een omgeving dient te worden gecreëerd waarin ieder individu gelijkwaardige kansen krijgt. Indien dat werkelijk gerealiseerd is doet het er niet meer toe of diegene die het meest bekwaam wordt bevonden voor het beroep in kwestie toevallig ook een vanuit Somalië afkomstige lesbienne blijkt te zijn. Dat betekent uiteraard niet dat voor specifieke beroepen niet om een specifiek profiel gevraagd mag worden. Het is wat mij betreft niet meer dan redelijk dat men een specifiek profiel op het oog heeft wanneer er vraag is naar een beveiliger binnen een beruchte penitentiaire inrichting. Discriminatie is immers niet ipso facto te identificeren met bevooroordeeldheid of racisme. Discrimineren doen we namelijk allemaal, en dat is ook nodig in de complexe wereld waarin we leven.

Discrimineren is strikt genomen een term met een neutrale betekenis. Zo ook lijkt de mens dikwijls bevooroordeeld in haar reacties. Bevooroordeeld zijn kan opgevat worden als een relatief snelle methode om te reageren op een situatie zonder alle hiervoor beschikbare relevante elementen te incorporeren als zodanig. Dit kan zeer wel als natuurlijk instrument dienen om om te kunnen gaan met de overdaad aan prikkels in de wereld van tegenwoordig. Er is simpelweg teveel informatie beschikbaar in ons informatietijdperk dat ervoor zorgt dat—wanneer de tijd dringt—het bijna noodzakelijk wordt om een bevooroordeelde doch bescheiden houding in te nemen. En het is juist deze bescheidenheid dat op een voetstuk geplaatst dient te worden. Het gaat immers pas mis wanneer deze fenomenen niet als zodanig worden (h)erkend: discrimineren en kortzichtig zijn (als functie van het bevooroordeeld zijn) zonder een bescheiden bewustzijn van het noodzakelijk gemis van de volledige informatie maakt mensen niet enkel onwetend en pretentieus, sterker, het kan indien hieraan structureel wordt vastgehouden leiden tot potentiële sociale ontwrichtende gevolgen voor onze prachtige diverse maatschappij.

Diversiteit

Image | Posted on by | Leave a comment

De relatie tussen de gedachte aan een roze olifant en de fysische processen in ons brein!?

Het brein alsook de interactie hiervan met de rest van het lichaam blijft fascinerend. Ook het sturende mechanisme van het brein op basis van evolutionaire principes is iets wat lastig is te ontkennen. Ik neem graag deze gelegenheid om verder uit te weiden over de filosofische implicaties die men hier kan afleiden. Stelt u zich het volgende scenario voor. U wordt nu geopereerd door een hersenchirurg die op dit moment bepaalde gebieden stimuleert in uw hersenen om het operatiegebied af te bakenen. Zonder dat de externe omgeving hiervoor directe aanleiding geeft denkt u plots aan een roze olifant en ruikt u een sterke kaneelgeur. Deze combinatie van sensaties is direct het gevolg van de geïnduceerde stimulatie door de chirurg. Nu kan men ten behoeve van het geven van een verklaring hiervoor een beroep doen op de onvoorstelbare complexiteit van de fysische processen op macro- en microniveau in het gebied in kwestie. Zo kan er gesproken worden over actiepotentialen, het vrijkomen van specifieke neurotransmitters en de eventuele invloed van aanwezige toxines in het gebied. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat er een verband bestaat tussen het stimuleren van het fysieke gebied en de ervaren sensaties. Echter, pogingen om deze fysische processen te identificeren met de sensaties lijkt weinig begrip te leveren. Hoe immers kunnen we begrijpen dat de unieke gedachte aan een roze olifant en de genoemde geur met al de hieraan corresponderende kwalitatieve eigenschappen (viz. qualia) identiek zijn?

Ik zie geen redenen om aan te nemen dat de genoemde identificatie geen fysieke basis heeft, maar wel dat wij niet in staat zijn deze te doorgronden. Hoezeer wij de genoemde sensaties ook trachten te verklaren met fysische processen, het zal geen inzicht geven in de subjectieve, kwalitatieve aard van de ervaringen in kwestie. Misschien schept een analogie met Kants filosofische beweringen ten aanzien van ons kenvermogen meer verheldering, namelijk diens onderscheid tussen de werkelijkheid zoals die in zichzelf is en de werkelijkheid zoals wij die construeren. Het is voor ons onmogelijk kennis te hebben van de realiteit zoals die in zichzelf is aangezien we beperkt zijn tot de ervaring hiervan zoals bepaald door (de subjectieve bepalingsgrond van) onze hersenen. Welnu, het is volgens velen (maar niet allen) duidelijk dat er een verband moet bestaan tussen de werkelijkheid in zichzelf en de werkelijkheid zoals wij die scheppen, echter de aard van dit verband lijkt ongrijpbaar. Zo ook lijkt de aard van het verband tussen de fysische processen in de hersenen en de subjectieve ervaring van de genoemde sensaties ook niet te vatten. Dit geeft ons mijns inziens echter geen reden een beroep te doen op immateriële grondslagen (zoals Descartes dat trachtte te doen) om zodoende de aard van het bewustzijn en de relatie tot de hersenen te verklaren. Correcter lijkt het om het bestaan van de identificatie in kwestie te aanvaarden evenals ons onvermogen deze te doorgronden. De assumptie dat evolutie ons dit vermogen noodzakelijk heeft gegeven is ongegrond. Het is zeer goed mogelijk dat het brein haar eigen functioneren en werkelijke aard niet volledig kan determineren. Dat wij dankzij onze drang naar kennis in het algemeen een toevlucht zoeken in allerlei exotische verklaringen om dit inzicht maar te kunnen verkrijgen geeft ons eerder een reden wantrouwend te zijn dan zeker van onze zaak.

A penny for your thoughts?

bg_principe
Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Zeiken over kerst is overrated.

Nee, Mariah Carey hoef ik inderdaad niet weer te horen. Net als al die andere zoetsappige kerstliederen zonder inhoud. En ik ga zeker niet beweren dat kerst iets hips is of zou moeten zijn. Het is op zijn minst opvallend te noemen dat de mensen die over kerst klagen nu juist de mensen zijn die over het algemeen goede familiebanden hebben. Vaak genoeg krijg ik te horen dat het zonde is van de tijd en dat men geen zin heeft om “een beetje geforceerd met familie leuk te gaan doen”. Natuurlijk begrijp ik dat een enkele of tweetal kerstdagen met je familie aan tafel niet per se een zeer interessante of vernieuwende avond betekent. Aan tafel met een vader die zich tevergeefs probeert te verplaatsen in de nieuwste hobby van je broer, een moeder die net iets teveel opschept over haar pas ontdekte knobbel voor modelkleien en inderdaad dat betweterige broertje die sinds kort heeft ontdekt dat ook hij grotere spieren kan kweken in de sportschool, nee, dat is voor de meesten onder ons in geen enkel opzicht een bijzondere avond. Een dergelijke avond is op zijn best te vergelijken met die maandagavond nadat iedereen weer terug is van vakantie. Geen familievakantie natuurlijk, want na al die weken op een afgelegen camping in Frankrijk gaan we niet snel nog een keer met elkaar weg. Iedere keer bleek weer een ongekend fiasco: papa wilde naar het strand, mama wilde eigenlijk liever cultuur snuiven en jij en je broertje hadden voornamelijk—enkel—trek in iets met belachelijke hoeveelheden alcohol en mensen om op te eten.

Ik bespeur hier toch een opvallende parallel met gezondheid. Zonder in details te willen treden heb ik de afgelopen weken iets vreemds meegemaakt. Ik werd ’s nachts wakker van een pieptoon die enkel in mijn hoofd bestond en ik heb tot op heden last van overgevoelige oren: wanneer je huisgenoot speelt met bestek is het niet slechts vervelend—het doet daadwerkelijk pijn aan je oren. Kortom, gekkigheid. Helaas laat het besef en de waardering van het hebben van een goede gezondheid vaak op zich wachten totdat men iets mankeert. Zo ook bij mij. Wat heeft dit nu met kerst te maken? Als alle randvoorwaarden die bepalend zouden moeten zijn voor een potentieel geslaagde kerst in orde zijn is de kans blijkbaar groot dat het niet mag slagen. Het hebben van hechte familiebanden, financiële zekerheid, vrije tijd en andere ingrediënten voor een geslaagde kerstavond heeft men in dergelijke situaties doorgaans het hele jaar door, dus waarom zou kerst dan een uitzondering zijn? Gevolg: kerst is overrated, verre van gezellig en iedereen die op kerstavond kenbaar maakt aan diegenen in minder fortuinlijke omstandigheden te denken is niet oprecht en vist eigenlijk naar complimenten die een gespeeld moraliteitsbesef kunnen voeden.

En toch wil ik pleiten voor een herwaardering van kerst. Mariah Carey daargelaten is het iets om van te mogen genieten. Een betweterig broertje hebben is misschien wel fijner dan je denkt. En ga gewoon een keer mee kleien met je ma, laat je broertje in zijn waan en knik eens wanneer je vader aan tafel beweert dat je broertje verstandig is en daarom geen drugs gebruikt. Natuurlijk is het makkelijk om nu voorbeelden van mensen te noemen die er slechter aan toe zijn dan jij. Dat is dan maar zo. Het kost niet veel moeite om even stil te staan bij het feit dat je familie er in ieder geval wel voor je is wanneer het nodig blijkt. Voordat jij die amuse in je keel propt mag het in ieder geval duidelijk zijn dat je broertje—artificieel geïnduceerd of niet—veel om je geeft. Die kater komt later. Maar koester het moment voordat later aanbreekt. Want als later daar is besef je opeens wat je mist. Telater.

13133BI55GP-22R1

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Waarom het bovennatuurlijke fenomeen zichzelf ondermijnt: Immanuel Kant over de onkenbaarheid van God.

Free-Shipping-2013-New-Design-font-b-Aladdin-b-font-Lamp-Home-font-b-Decoration-b

Geesten, de menselijke ziel, hemel, hel, God en Satan: Het mag gezien de ontwikkelingen van de verschillende wetenschappen toch op zijn minst opvallend genoemd worden dat deze termen vandaag de dag nog voor vele mensen een diepe betekenis hebben. Zo kunnen de sociale wetenschappen ons een steeds uitgebreider antwoord geven op de vraag wat de natuur van de mens behelst, en kunnen de aardwetenschappen op haar beurt fenomenen als onweer en overstromingen ook op grond van natuurlijke wetten verklaren. Desondanks wordt er over het bestaan van bovennatuurlijke fenomenen zoals hierboven genoemd dikwijls heftig gediscussieerd. Naast de spookverhalen van uw buurvrouw of de recente godservaring van een oude jeugdvriend houden ook hedendaagse filosofen zich met dergelijke kwesties bezig. Een platform als YouTube biedt een uitgelezen kans om dergelijke filosofische discussies met betrekking tot bijvoorbeeld het bestaan van God of geesten vast te leggen en beschikbaar te maken voor het bredere publiek. Ook op Facebook en verschillende internetfora bestaan er specifieke pagina’s en groepen die ruimte bieden voor de verschillende meningen die hierover bestaan. Maar wat is een bovennatuurlijk fenomeen nu precies? En is een menselijke ervaring hiervan wel mogelijk?

 

Van Dale over het bovennatuurlijke

Hoewel verschillende woordenboeken verschillende definities hanteren, geeft Van Dale de volgende beknopte invulling: “bo·ven·na·tuur·lijk: de natuurwetten te boven gaand.”[1] Deze definitie lijkt tevens het antwoord op de tweede vraag te onthullen: een fenomeen is van bovennatuurlijke soort indien de aard ervan niet te vinden is in natuurwetten, maar deze nu juist overstijgt. Wat betekent dit voor die jeugdvriend die claimt een Godservaring te hebben gehad? We zouden hier kunnen concluderen dat hij over een speciale soort epistemologische toegang beschikt, aangezien God als bovennatuurlijk fenomeen niet in de waarneembare wereld van de zintuigen bestaat. Maar is de epistemologische reikwijdte—of omvang van kennis—van de mens niet noodzakelijk beperkt door de specifieke natuur die zij bezit? Zo bezien lijkt het verstandiger om ons vooral eerst bezig te houden met filosofische kenniskwesties die zich binnen het domein van zintuiglijke waarneming afspelen, voordat we ons de eerder genoemde speciale epistemologische toegang aanmatigen. Gezien de meerderheid van religieuze aanhangers wereldwijd, echter, zal dit laatste waarschijnlijk niet snel aan populariteit winnen.[2] Er is een belangrijk figuur uit de geschiedenis van de filosofie die wel degelijk kriebels kreeg van mensen die pretendeerden kennis te kunnen hebben van het bovennatuurlijke. Waarom de Kritische steentjes van de Duitse filosoof Immanuel Kant doorslaggevend genoemd kunnen worden, zal hieronder duidelijk worden.

 

God als bovennatuurlijk fenomeen

Vanuit het hierboven geschetste perspectief gezien is het niet verrassend dat de wetenschappen—die immers empirisch opereren—objecten als geesten of God niet kunnen vinden in het domein waarop deze wetenschappen van toepassing zijn, namelijk de (in)direct waarneembare natuur die wordt bepaald door natuurwetten. Dat hieruit belangrijke implicaties volgen voor de mogelijkheid van menselijke kennis aangaande bovennatuurlijke fenomenen werd in de achttiende eeuw al beargumenteerd door Kant, die overigens wel degelijk gelovig was. In De Kritiek van de Zuivere Rede onderzocht hij waar de grenzen van het menselijk kenvermogen liggen. Een onderdeel van deze Kritiek gaat in op de vraag of het bestaan van God kan worden bewezen en of wij überhaupt kennis kunnen hebben van zijn veronderstelde natuur. Kort gezegd komt Kant hier tot de conclusie dat het bestaan van God niet op grond van de menselijke rede noch op basis van het bestaan of de specifieke rangschikking van de waarneembare natuur vastgesteld kan worden. Hiermee wilde hij echter niet betogen dat het bestaan van God niet aangenomen mag worden. In tegendeel, Kants eigen geloofsovertuiging was gebaseerd op diens aanname dat het bestaan van God wel degelijk verondersteld moet worden om moraliteit mogelijk te maken. Duidelijk hier is dus dat veronderstellen niet verward mag worden met weten: het veronderstellen van het bestaan van God is niet identiek aan kennis hebben van God. Dit verschil wordt fraai gereflecteerd in een bekend citaat dat aan Kant wordt toegeschreven: “I had to deny knowledge in order to make room for faith.”[3] Een geloofsovertuiging kan dus prima een bestaansrecht hebben zonder dat kennis hier een noodzakelijke rol in speelt.

 

Kant over de onbewijsbaarheid van Gods bestaan

Het is de taak van filosofen, echter, om overtuigingen met steekhoudende argumenten te onderbouwen. Wanneer men dus in God gelooft zonder dat er valide argumenten worden aangevoerd, kan de filosoof hier niet veel mee. In tegenstelling tot de overtuiging waarmee enkele hedendaagse filosofen denken het bestaan van God te kunnen afleiden op basis van de rede, laat Kants kritische filosofie zien dat dergelijke pogingen vruchteloos zijn.[4] Pogingen die het bestaan van God willen bewijzen op grond van de (menselijke) rede vallen onder de noemer ‘ontologische’ argumenten. Daar dergelijke argumenten geen beroep doen op de waarneembare natuur, wordt er uitgegaan van een bepaald concept van God dat, zo is de gedachte, in zichzelf het werkelijke bestaan van God impliceert. Het is nu juist hier waar Kant tegen ageert. Welk concept van God men ook postuleert, op geen enkele manier is het werkelijke bestaan van God hieruit af te leiden. In de traditionele formulering van het ontologische ‘godsbewijs’, een krap millennium geleden bedacht door de Italiaanse filosoof Anselmus van Canterbury, wordt uitgegaan van een perfect idee of concept van God.

De kern van de argumentatie is als volgt: aangezien God het meest perfect denkbare is, volgt hieruit dat hij werkelijk moet bestaan. Immers, zo wordt gesteld, iets dat werkelijk bestaat is perfecter dan iets dat enkel in gedachten bestaat. Wat gaat hier volgens Kant nu mis? Het probleem ligt bij de impliciete assumptie van perfectie, namelijk de aanname dat bestaan een ‘echte’ eigenschap is. Wanneer men namelijk stelt dat bestaan op zich perfecter is dan niet-bestaan, wordt bestaan toegepast als perfectionerende eigenschap. Een analogie ter verduidelijking is hier wellicht op zijn plaats. Stelt u zich het idee of concept van een perfecte vliegende theepot voor. Wanneer u het werkelijke bestaan van de theepot wilt bewijzen en vervolgens alle eigenschappen—zoals de specifieke kleuren, materiaalsoort, vorm, etc.—aan dit concept toeschrijft, voegt u niets toe aan dit concept wanneer u bestaan als eigenschap bij deze opsomming toevoegt. Wanneer men het concept van de perfecte theepot met al zijn eigenschappen vergelijkt met de werkelijk bestaande theepot, is er in essentie geen kwalitatief verschil te ontdekken tussen beide objecten. Door bestaan als eigenschap op te vatten en deze in het concept van de theepot te denken, wordt eigenlijk gewoon vals gespeeld: men definieert de theepot als werkelijk bestaand! Wanneer men eenzelfde argumentatie zou toepassen in financieel opzicht zou men zichzelf niet alleen als miljonair kunnen denken, maar ook op grond hiervan werkelijk rijk kunnen worden. Hiervoor is enkel het concept van een perfecte hoeveelheid euro’s nodig en de assumptie dat bestaan een perfectionerende eigenschap is. Het zou toch fijn zijn als uw spaarvarken plots voller wordt enkel en alleen wanneer u bestaan als eigenschap aan het concept van een miljoen euro toevoegt! Het moge nu duidelijk zijn dat het ontologische argument faalt. Het bestaan van God wordt op grond hiervan dus niet bewezen, maar enkel verondersteld.[5]

 

De onkenbaarheid van het bovennatuurlijke fenomeen

Naast God zijn er uiteraard nog vele andere bovennatuurlijke fenomenen voor te stellen waarvan het werkelijke bestaan betwist kan worden. Een gevolg van Kants kenleer, echter, is dat traditionele voorstellingen van dergelijke fenomenen niet gekend of waargenomen kunnen worden, tenzij deze een spatio-temporele bepaling hebben. Dit is het geval omdat de natuur of realiteit die wij dagelijks ervaren volgens Kant moet conformeren aan bepaalde concepten of ‘categorieën’ van het verstand, die voorafgaand aan onze ervaring van de realiteit hun functie uitoefenen. Deze categorieën leidde Kant af op grond van de mogelijke soorten uitspraken die wij over de natuur kunnen maken. Dit kwam vervolgens tot uiting in twaalf categorieën, gecategoriseerd onder ‘kwantiteit’, ‘kwaliteit’, ‘relatie’ en ‘modaliteit’.[6] Cruciaal, nu, is het gegeven dat de realiteit waarmee we dagelijks geconfronteerd worden wordt bepaald door onze natuur, en niet vice versa. In tegenstelling tot een aantal belangrijke denkers voor Kants tijd, die de mens als passief kensubject voorstellen in relatie tot de natuur, stelde Kant dat juist doordat het overkomen van de natuur door ons toedoen wordt bepaald, deze relatie dient te worden omgedraaid: elk object van de natuurlijke wereld moet zich conformeren aan onze natuur, en niet andersom! Deze ‘Copernicaanse Wending’ kan tevens worden genoemd in verband met de introductie van een ander belangrijk begrippenapparaat van de kenleer in kwestie.[7] De realiteit zoals wij die door ons toedoen dagelijks kunnen ervaren, noemt Kant de fenomenale wereld. Elk fenomeen—of het nu de aanschouwing van een foto van uw opa of de kat van de buren betreft—dat een mogelijke ervaring vormt binnen dit domein doet dit dus noodzakelijk in spatio-temporele zin, en tevens conformeert het aan de eerder genoemde categorieën. Elk fenomeen, echter, dat buiten dit domein valt en als zodanig niet wordt bepaald door tijd, ruimte en de categorieën, plaatst Kant in de noumenale wereld. Over fenomenen binnen dit laatste domein kunnen wij dus niets zinvols beweren, aangezien ze op grond van onze natuur onkenbaar zijn.[8]

 

Waarom Aladdin’s Geest geen geest mag heten

Wat betekent dit nu voor het mogelijke bestaan van de traditionele geest? Kant zou hier hoogstwaarschijnlijk beweren dat een dergelijk fenomeen—traditioneel beschouwd—geen mogelijke ervaring weerspiegelt. Met andere woorden, een fenomeen gedefinieerd als zijnde onzichtbaar, immaterieel en tijdloos kan geen object van de fenomenale wereld zijn, omdat het per definitie geen temporele bepaling heeft alsook niet conformeert aan de bovenstaande categorieën. Wanneer men nu volhardend blijkt en de geest in een fenomenale vorm giet om het een mogelijk object van de fenomenale wereld te maken, kan men zich vervolgens afvragen of de geest zijn naam wel eer aan doet. Immers, een dergelijke verschijning zou niet overeenkomen met de typische eigenschappen die er dikwijls aan worden toegekend—Wellicht op Aladdin’s Geest of Casper het vriendelijke spookje na dan. En wat nu, vraagt u zich af, als we beweren dat geesten zich buiten de fenomenale wereld bevinden? Kant neemt hiertoe een agnostische positie in: geesten bevinden zich in dat geval per definitie in de noumenale wereld, en eventuele kennisclaims met betrekking hiertoe zijn zoals eerder genoemd onmogelijk. Er lijkt in tegenstelling tot Kants opvatting dat het bestaan van God veronderstelt dient te worden om moraliteit mogelijk te maken echter geen instrumentele noodzaak te bestaan om het bestaan van geesten te veronderstellen. Tenzij men enige (filosofische) noodzaak ziet in de collectieve angst die een dergelijke veronderstelling teweeg zou kunnen brengen, moeten we de spookverhalen van onze buurvrouw met een korrel zout nemen en laten voor wat het is: een spannend, vermakelijk en misschien zelfs Geestig verhaal, maar zeker niet meer dan dat.

Posted in Pseudofilosofie | 2 Comments

Het nazi-uniform: esthetisch waardevol?

Wanneer ik mét voorkennis—in tegenstelling tot een ander individu zónder voorkennis—naar prins Harry in nazi-uniform kijk, zien we praktisch hetzelfde. Beiden zien we de karakteristieke hoogte van de riem, de onderscheidingstekens en het specifieke gebruik van kleuren. Nu weet ik toevallig dat Hugo Boss binnen de nazi-praktijken een duidelijke rol heeft gespeeld, en ook heb ik kennis van de verachtelijke ideologie dat nazisme weerspiegelt. Ik wil nu betogen dat dit niet per definitie invloed heeft op de esthetische ervaring. In tegendeel, het staat er los van. Zelfs het feit dat ik Joods ben doet geen afbreuk aan de esthetische ervaring die ik heb wanneer ik het nazi-uniform beoordeel op zijn formele kwaliteiten. Met het feit dat ik een positieve esthetische ervaring ondervind bij het aanschouwen van het uniform druk ik niet uit dat mijn morele waardering hiermee overeenstemt. Het laat juist zien dat de twee waarderingen strikt gescheiden moeten worden. Wanneer we veronderstellen dat intentie of ideologie noodzakelijk constitutief is voor het esthetische oordeel is het praktisch onmogelijk om het uniform in positief esthetische zin te kunnen beoordelen. Dit komt omdat deze connectie dan een normatief verband inhoud: een negatieve morele waardering heeft een negatieve esthetische waardering tot gevolg.

Mijn eigen ervaring bevestigt dat dit niet het geval kan zijn. Wanneer ik het andere individu naast mij informeer over de verachtelijke ideologie en Boss’ implicatie in de nazigeest die destijds heerste, geeft haar verwachte negatieve beoordeling van het uniform geen blijk van een negatieve beoordeling van de esthetische aspecten, maar eerder van een negatieve morele waardering, die te identificeren is met niet-formele aspecten alleen, onzichtbaar in het uniform zoals het ons visueel toeschijnt. Nu kan men zich afvragen waarin dan de esthetische waarde van abstracte kunst bestaat. Wanneer men dergelijk werk beoordeelt zonder de impliciete niet-formele aspecten mee te nemen is een lege esthetische waardering een begrijpelijk gevolg. Immers, een aantal lijnen op een doek spreken niet erg tot de verbeelding wanneer de gedachte erachter niet meegenomen wordt. Geconcludeerd kan worden dat niet-formele aspecten als intentie of ideologie in dit geval gewaardeerd kunnen worden op basis van hun creatieve of morele waarde, maar niet op hun esthetische waarde. In het geval van een abstract schilderij waar enkel lijnen staan afgebeeld zou ik dan beweren dat het esthetisch gezien niet erg interessant is, maar wel degelijk waarde heeft als een product van creatieve gedachten of morele overwegingen. Het nazi-uniform is als esthetisch object zeker interessant, maar als product van nazi-ideologie lijkt enkel een negatieve morele waardering te volstaan.

Image

Posted in Pseudofilosofie | 1 Comment