Roetveegpiet doet geen afbreuk aan de waarde van het sinterklaasfeest.

Dat het sinterklaasfeest een lange traditie heeft lijkt onbetwistbaar. Maar het idee dat dit gegeven op zichzelf een morele rechtvaardigingsgrond voor het behoud ervan zou kunnen bieden, is oppervlakkig en onjuist.

Het sinterklaasfeest staat weer voor de deur, en dat betekent dat de oneindige discussie over de al dan niet racistische of negatief discriminerende grondslag van het feest wederom hoogtij viert. Voor- en tegenstanders van het feest trachten door diverse argumentaties de traditie van de goedheiligman en diens knechten te rechtvaardigen dan wel te ontkrachten. Maar laat dit feest nu voornamelijk iets zijn voor onze kinderen, en vanuit het perspectief van het kind (en ook diens ouders) doet het er simpelweg niet toe wat voor huidskleur Zwarte Piet heeft, of hoe de beste knecht zich verhoudt tot Sinterklaas. Laten we daarom ophouden met de oneindige discussie en inzien dat de waarde van het kinderfeest ligt in de beleving van het samenzijn en het genieten van elkaar.

Zwarte-Pieten

Water bij de wijn doen

Dr. Aart G. Broek schreef onlangs dat tolerantie impliceert dat we moeten accepteren dat er altijd uitingen zullen zijn die we aanstootgevend vinden, en dat het verdragen hiervan het doenlijk maakt om met elkaar te overleven in de samenleving. Hier is zeker wat voor te zeggen. Feit blijft dat wat men aanstootgevend acht van subjectieve aard is: daar waar een satirische afbeelding van een heilige profeet een uiting van humor is voor de een, is het volstrekt aanstootgevend voor de ander.

Maar het is een misvatting wanneer Broek stelt dat het streven zou zijn om het sinterklaasfeest voor iedereen te laten zijn. Het sinterklaasfeest is bij uitstek een kinderfeest, en vanuit het perspectief van het kind betekent water bij de wijn doen inzien dat het voor de beleving van het sinterklaasfeest niets uitmaakt hoeveel roetvegen Zwarte Piet op zijn gezicht heeft. Water bij de wijn doen betekent inzien dat een eenvoudige aanpassing van het uiterlijk van Zwarte Piet en diens relatie tot Sinterklaas een tegemoetkoming is aan een deel van de Nederlandse bevolking, en dat dit ook voor de ouder geen afbreuk doet aan de waarde van het sinterklaasfeest.

Racisme en discriminatie

De betekenis van de termen racisme en discriminatie zijn niet identiek. Discrimineren of onderscheid maken doen we voortdurend en is niet per se afkeurenswaardig te noemen. Racisme is in abstracto wel afkeurenswaardig te noemen, omdat dit discriminatie op grond van irrelevant geachte factoren inhoudt. Racisme impliceert per definitie een vorm van discriminatie, maar niet vice versa. Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet bepaalt dat een ongelijke behandeling in gelijke gevallen op grond van irrelevant geachte factoren (zoals ras of geslacht) strafbaar is en als ongerechtvaardigde vorm van discriminatie moet worden beschouwd. Discriminatie op grond van ras (racisme) is daarmee per definitie strafbaar.

Wanneer iemand iets aanstootgevend vindt vanwege een vermeende racistische of negatief discriminerende grondslag moet dit redelijkerwijs vastgesteld kunnen worden. En dit is in het geval van het sinterklaasfeest wel degelijk beargumenteerd. Zie bijvoorbeeld het volgende rapport: http://tbinternet.ohchr.org/Treaties/CERD/Shared%20Documents/NLD/CERD_C_NLD_CO_19-21_21519_E.pdf. En ook: https://www.mensenrechten.nl/toegelicht/zwarte-piet-0.

Het is in die zin onjuist en wat flauw om de redelijkerwijs aangetoonde grondslag van het sinterklaasfeest te bagatelliseren door een onhoudbare analogie met een stoplicht aan te halen. De verschillen tussen de uitingen en verhoudingen die het sinterklaasfeest typeren en de functie van het stoplicht zijn zo evident dat het niet benoemd hoeft te worden. Bovendien blijft de waarde van het sinterklaasfeest door de nodige aanpassingen behouden, in tegenstelling tot de consequenties voor de verkeersveiligheid ‘door de aanstootgevende straatverlichting te verbannen’.

Traditie alleen snijdt geen hout

Dat het sinterklaasfeest een lange traditie heeft lijkt onbetwistbaar. Maar het idee dat dit gegeven op zichzelf een morele rechtvaardigingsgrond voor het behoud ervan zou kunnen bieden is oppervlakkig en onjuist. Er zijn talloze tradities te bedenken die de huidige overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking moreel laakbaar zou noemen. Het onveranderlijke aan de mens is nu juist dat zij veranderlijk is, en het is dit gegeven dat ons dwingt om tradities—die statisch zijn—voortdurend te herwaarderen. Een traditie waaruit blijkt dat het racistische of negatief discriminerende elementen bevat past niet binnen de huidige kaders van moraliteit. En zelfs wanneer het sinterklaasfeest in de praktijk geen negatieve elementen bevat kan men zich terecht afvragen hoe relatief kleine aanpassingen afbreuk doen aan de positieve beleving ervan.

Een feest voor het kind én de ouder

Het sinterklaasfeest is in de eerste plaats een feest voor het kind. Het aanpassen van de uitingen en verhoudingen van het traditionele feest zal vanuit het perspectief van het kind niets uitmaken: het blijft immers een feest waarin men simpelweg samenkomt en van elkaars bestaan geniet. Omdat de waarde van het feest nu juist daarin gelegen is, doen de genoemde aanpassingen geen afbreuk aan de positieve beleving van het kind of dat van de ouders. Een glimlach van uw kind in het bijzijn van een gelijkwaardige en met enkele roetvegen bedekte Piet blijft immers de mooiste glimlach in de wereld.

Oorspronkelijke publicatiedatum: 8 oktober 2016.

Zie: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1299/Roetveegpiet-doet-geen-afbreuk-aan-de-waarde-van-het-sinterklaasfeest

 

Advertisements
Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Waarom culturen wel degelijk ongelijkwaardig genoemd mogen worden.

In een tijd waarin termen als islamofobie en racisme misbruikt worden om elke vorm van kritiek op de ideologie teniet te doen, is het wachten tot deze pijlen ook op Schippers’ betoog worden gericht. Minister Edith Schippers’ H.J. Schoo-lezing zal waarschijnlijk leiden tot felle discussie zowel binnen als buiten het politieke domein. Het is dan ook nogal wat om te stellen dat ‘onze’ cultuur ‘beter’ is dan andere culturen. Vanuit de linkse hoek zal de kritiek duidelijk zijn: alle culturen zijn wel degelijk gelijkwaardig te noemen, en het idee dat ‘onze’ cultuur ‘beter’ zou zijn dan andere culturen getuigt simpelweg van nationale grootheidswaanzin en de misvatting dat er zoiets is als een statische en homogene cultuur.

iStock_000012215038Medium.jpg

Het is in een discussie met termen als gelijkwaardigheid, cultuur en goed en slecht van hoogst belang om deze helder en expliciet te definiëren. Veelal past men dergelijke termen toe zonder deze expliciet te duiden, en het gevolg is dat men langs elkaar heen praat en er geen dialogen maar monologen ontstaan. Dit kan ook als gevolg hebben dat men het aan de oppervlakte met elkaar oneens lijkt te zijn, maar dat een nadere analyse het tegenovergestelde doet blijken. Hieronder zal een poging gegeven worden om deze termen van definities te voorzien, en vervolgens zal ik aantonen dat men wel degelijk kan stellen dat culturen ongelijkwaardig zijn.

Met de komende verkiezingen in het achterhoofd is het niet verrassend dat men deze lezing afdoet als verkiezingsretoriek. De waardering van de lezing wordt ook negatief beïnvloed door eerder gemaakte keuzes van de VVD. Maar ook de spanning tussen Schippers’ verantwoordelijkheid als minister en de werkzaamheden van haar partner zijn redenen voor twijfel aan haar integriteit. Wat de waarheidswaarde van de inhoud van deze lezing betreft zijn zaken als strategische inzet en eerdere keuzes van de VVD of haar partner echter irrelevant. Timing en niet-gerelateerde keuzes uit het verleden vormen namelijk geen inhoudelijke kritiek op de inhoud van de lezing. Hier is meer voor nodig. In een tijd waarin termen als islamofobie en racisme misbruikt worden om elke vorm van kritiek op de ideologie teniet te doen, is het een kwestie van wachten tot deze pijlen ook op Schippers’ betoog worden gericht. Hieronder volgt eerst een explicitering van enkele relevante begrippen, en vervolgens zal er naar Schippers’ gebruik van deze begrippen gekeken worden.

Gelijkwaardigheid

Formeel gezien wordt het gelijkheidsbeginsel als klassieke grondrecht in Artikel 1 (van Hoofdstuk 1) van de Nederlandse Grondwet uitgedrukt. Hierin staat expliciet dat iedere Nederlander recht heeft op een gelijke behandeling in gelijke gevallen, en dat irrelevant geachte factoren als geaardheid, geslacht en politieke gezindheid niet als gronden voor discriminatie mogen gelden.

Cultuur

Cultuur is geen eenduidige term, en formeel gezien wordt het vervat in het complex van sociale grondrechten (bijvoorbeeld het recht op werk, huisvesting en onderwijs) die in tegenstelling tot klassieke grondrechten niet afdwingbaar zijn. Wel wordt van de overheid verwacht dat zij de voorwaarden schept die een klimaat realiseren waarin burgers zich kunnen ontplooien. In het kader van Schippers’ lezing is het geschikter om cultuur in informele zin als volg te definiëren: ‘Cultuur omvat de gewoonten en gebruiken waarover een volk in het land zelf beschikt of die een volk meeneemt uit het land van herkomst. Hieronder vallen onder andere het geheel van normen en waarden, de voeding, eetgewoonten, kleding, godsdienst en muziek en dans.’

Goed en slecht

Ook de termen ‘goed’ en ‘slecht’ zijn op vele manieren te definiëren. In morele zin is de waardering van wat ‘goed’ of ‘slecht’ is volledig afhankelijk van welke ethische theorie men erop loslaat. Met betrekking tot Schippers’ lezing is het relevant om te analyseren in welke zin zij ‘onze’ cultuur als beter (als functie van goed) kwalificeert dan andere culturen.

De gelijkwaardigheid van culturen

Schippers concretiseert het begrip gelijkwaardigheid door het incident van Rita Verdonk aan te halen: “Rita Verdonk accepteerde niet dat een islamitische man [Ahmed Salam] weigerde om haar de hand te schudden. Zij maakte daar terecht een punt van. Ze verdient daarvoor alle lof, maar kreeg ook veel onverwachte kritiek uit progressieve hoek. Want: ‘Als handen schudden met vrouwen nou niet wordt geaccepteerd in de cultuur van deze groep, dan moeten we daarvoor alle begrip hebben. Alle culturen zijn gelijkwaardig.’ Ik vind dat een verschrikkelijke misvatting. Frits Bolkestein zei het al in de jaren negentig: alle culturen zijn helemaal niet gelijkwaardig. En ik zeg het hem na: de onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken. In elk geval voor de vrouw. In elk geval voor de homo of de transseksueel. In elk geval voor mensen die niet behoren tot de groep van de machthebbers. Voor mensen die de overheersende religie niet aanhangen.”

Naast het feit dat gelijkwaardigheid in de Nederlandse Grondwet is verankerd wordt deze eveneens in informele zin geaccepteerd en nageleefd. Gelijkwaardigheid als kernwaarde is voor de meeste Nederlanders zodanig verbonden met rechtvaardigheid dat het geen rechtvaardiging meer lijkt te behoeven. Gelijkwaardigheid impliceert de norm dat discriminatie op grond van geslacht of godsdienst niet is toegestaan. En het is hier waar zich een spanning openbaart: een man die op grond van zijn godsdienst weigert om de hand van een vrouw te schudden doet tegelijkertijd een beroep op diens godsdienstvrijheid en ondermijnt door discriminatie op grond van geslacht de norm die door gelijkwaardigheid wordt bepaald.

Het is onder andere het opereren vanuit gelijkwaardigheid dat tolerantie voor andersdenkenden toestaat. Doordat deze kernwaarde zo diep geworteld is in ons collectieve bewustzijn zijn we veelal geneigd om andere culturen te tolereren dan wel te omarmen, en dat is mijns inziens een groot goed. Maar het is wel van belang om in te zien dat andere culturen gelijkwaardigheid niet per definitie als (in)formele waarde hebben geïncorporeerd. Een cultuur onderscheidt zich van een andere cultuur door (onder andere) de set van normen en waarden die in (in)formele zin gedragen worden. Er zijn voorbeelden te noemen van landen die in dit opzicht verschillen van Nederland, en hieruit kan men al opmaken dat culturen niet gelijkwaardig zijn.

In formele zin worden waarden vertaald naar normen die wettelijke verplichtingen voor de inwoners van een rechtsstaat inhouden. Een probleem vormt het gegeven dat het begrip van een waarde bepalend is voor de normen die eruit ontstaan. Dit kan als gevolg hebben dat culturen dezelfde waarde hanteren die vervolgens verschillend wordt toegepast. Stel nu dat Nederland en Saoedi-Arabië beiden aangeven de waarde rechtvaardigheid te hebben gecodificeerd in respectievelijk de Grondwet en basiswet. Uit de meerduidigheid van de betekenis van de waarde rechtvaardigheid volgt dat het geenszins evident is welke normen hieruit ontstaan. Met een waarde als gelijkwaardigheid is dit echter wel af te leiden, omdat het begrip hiervan eenduidig is. Zo kan Saoedi-Arabië niet pretenderen gelijkwaardigheid te hebben gecodificeerd wanneer discriminatie op grond van geaardheid (of geslacht) wettelijk is vastgelegd (contradictio in terminis). Het is de meerduidigheid van het begrip van rechtvaardigheid dat het land toestaat dit te identificeren met de inhoud van de Koran, hoezeer deze opvatting ook moge verschillen met die van u of mijzelf.

Omdat bijvoorbeeld gelijkwaardigheid in Saoedi-Arabië niet bestaat zoals dat in Nederland het geval is, moet geconcludeerd worden dat deze landen verschillen in hun gedragen normen en waarden, en derhalve is het volkomen legitiem om te stellen dat de corresponderende culturen niet gelijkwaardig zijn. Schippers heeft dus een punt wanneer ze in lijn van Bolkestein beweert dat alle culturen niet gelijkwaardig zijn. En het is het verschil in normen en waarden dat een individu kan doen botsen met de set van normen en waarden die formeel en informeel in Nederland gedragen worden. Het is in die zin dat het ‘onze’ normen en waarden vormen, en een aanval tegen vrijheid als kernwaarde door bijvoorbeeld persvrijheid te verstoren of een aanval te plegen tegen een magazine dat opereert vanuit vrijheid van meningsuiting is wel degelijk als een aanval op onze normen en waarden op te vatten.

Maar Schippers gaat verder wanneer ze vervolgens de Nederlandse cultuur vervolgens beter noemt dan de andere die zij kent: “En ik zeg het hem [Bolkestein] na: de onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken. In elk geval voor de vrouw. In elk geval voor de homo of de transseksueel. In elk geval voor mensen die niet behoren tot de groep van de machthebbers. Voor mensen die de overheersende religie niet aanhangen.” We hebben geconstateerd dat culturen niet gelijkwaardig te noemen zijn, maar kunnen we de onze ook objectief beter noemen?

De betere Nederlandse cultuur

Schippers’ kwalificatie van de Nederlandse cultuur als beter dan alle andere culturen (die haar bekend zijn) wordt gekoppeld aan de vrijheden die in de Nederlandse Grondwet zijn vastgelegd. Beter dient hier te worden opgevat als een moreel goed, en in deze context veronderstelt dit een hiërarchisch spectrum waarin vrijheid samenvalt met het moreel goede. Het credo is: ‘hoe vrijer, hoe beter’. Wel geeft Schippers aan dat een absolute vrijheid niet mogelijk is, en dat deze moet worden beperkt om de vrije democratie te beschermen. Dit is de paradox van de vrijheid. Maar waaruit bestaat het moreel goede nu precies?

Wat ‘beter’ is in moreel opzicht is mijns inziens niet objectief vast te stellen. Het hangt er immers vanaf welke ethiek men erop loslaat, en het is niet evident dat er zoiets als objectieve, onafhankelijke morele ‘feiten’ bestaan. Het is niet voor niets dat er al eeuwen wordt nagedacht over wat het moreel goede behelst en hoe dit haar grondslag dient te krijgen in het politieke bestel. Het lijkt met betrekking tot de discussie in kwestie wel van belang om het onderscheid tussen formele en informele normen en waarden te benadrukken. Aan de ene kant is er de rechtsstaat die normen als vertaling van waarden verankert in de wet, aan de andere kant is er de cultuur die hieraan conformeert of niet. Dát de Nederlandse Grondwet discriminatie op grond van geaardheid of geslacht verbiedt betekent helaas niet dat de Nederlandse cultuur zich hier automatisch aan verbindt.

Dit vormt echter wel een wezenlijk verschil met landen waarin bijvoorbeeld homoseksualiteit wettelijk wordt afgekeurd of bestraft omdat bijvoorbeeld een theocratie dit dicteert. Dit laat de ongelijkwaardigheid van Nederland met dergelijke landen zien. Men kan—en moet—die ongelijkwaardigheid erkennen zonder hieraan een objectief waardeoordeel te verbinden. Het is hier waar Schippers wellicht te ver gaat. Hoewel pogingen om tot een objectieve moraliteit (en een hieruit voortvloeiende objectieve classificatie van ‘goed’ en ‘fout’) te komen mijns inziens vruchteloos zijn, wil ik wel zo ver gaan om een rechtsstaat waarin discriminatie op grond van geaardheid verboden wordt als ‘beter’ te bestempelen dan een rechtsstaat waarin dit niet het geval is. Cultuurrelativisme biedt hier geen legitiem tegenargument: niemand kiest voor zijn of haar geaardheid, en het is naïef en misschien zelfs laakbaar om te stellen dat homoseksuelen een verbod op en bestraffing van homoseksueel gedrag intrinsiek zouden accepteren. Geaardheid is geen keuze en het vormt een intrinsiek verlangen. Wanneer wetgeving de uiting van dit verlangen verbiedt kan van werkelijke acceptatie niet gesproken worden. Acceptatie ingegeven door indoctrinatie of angst vormt namelijk geen werkelijke acceptatie.

Een ander gevaar van cultuurrelativisme is dat het consensus de dictatuur van moraliteit maakt: de cultuur beslist. Consensus alleen is echter geen afdoende rechtvaardigingsgrond voor moraliteit. Stel nu dat alle burgers binnen een land vinden dat alle roodharige baby’s ritueel geslacht moeten worden. Is dit moreel goed te noemen omdat hierover consensus bestaat? Hoewel een werkelijk objectief of onafhankelijk ethisch systeem mijns inziens niet mogelijk is, zijn ethische theorieën de best mogelijke pogingen om tot een dergelijk systeem te komen.

Conclusie

Met haar lezing wijst Schippers terecht op de ongelijkwaardigheid van culturen. Door (in)formele verschillen in normen en waarden die door verschillende culturen gedragen worden te erkennen wordt deze ongelijkwaardigheid aangetoond. Schippers gaat echter te ver in haar poging om vervolgens de Nederlandse cultuur als objectief beter dan andere culturen te beschouwen. De intuïtieve afkeer van culturen waarin homoseksualiteit wordt bestraft alleen is niet voldoende, noch de poging om vrijheid met het moreel goede te identificeren. Hiervoor is een onderbouwing nodig die Schippers niet gegeven heeft.

Oorspronkelijke publicatiedatum: 12 september 2016.

Zie: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1278/Waarom-culturen-wel-degelijk-ongelijkwaardig-genoemd-mogen-worden

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Neutrale uitstraling politieagent biedt schijnneutraliteit.

Een neutrale uitstraling van de politieagent garandeert niet dat onzichtbare persoonlijke (levens)overtuigingen geen negatieve invloed hebben op zijn functioneren. Laat diens handelen bepalend zijn.

Hoofdcommissaris Aalbersberg pleit voor het toestaan van hoofddoeken binnen het politiekorps om diversiteit hierbinnen te vergroten. Hierdoor ontstaat een betere afspiegeling van de samenleving in Amsterdam, en dit zorgt aldus Aalbersberg voor meer wederzijds begrip van de verschillende gemeenschappen. Tegenstanders van dit voorstel keuren dit onder andere af omdat het de neutrale uitstraling van het politiekorps ondermijnt. Die neutrale uitstraling is echter een schijnneutraliteit: het voorkomt niet dat persoonlijke overtuigingen het functioneren negatief beïnvloeden, net zo min dat een hoofddoek dit wel doet. Het handelen van de agent moet als criterium gelden, en niet de gemaakte assumpties op grond van zichtbare uitingen van een persoonlijke (levens)overtuiging.

ows_143044704783114.jpg

Het takenpakket van de politieagent

Volgens de politie zelf bestaat het takenpakket van een politieagent uit het zorgen voor veiligheid, het voorkomen en bestrijden van criminaliteit, het opsporen van strafbare feiten, het verlenen van hulp bij nood en het uitvoeren van politietaken voor justitie. Laat deze omschrijving het uitgangspunt van de discussie zijn.

De neutrale politieagent

Tijdens een recente aflevering van Pauw werden door Esmaa Alariachi en Bas van ’t Wout argumenten voor en tegen het toestaan van hoofddoeken in het politiekorps besproken. Zo beargumenteerde Van ’t Wout dat het toestaan van hoofddoeken (naast andere zichtbare uitingen van persoonlijke (levens)overtuigingen) de neutrale uitstraling van de politieagent ondermijnt en dat dit botst met de scheiding van kerk en staat. De neutraliteit die de representant van de overheid dient uit te stralen in woord, daad en uitstraling wordt gerealiseerd door het uniform, en dit is een groot goed waar lang voor gestreden is en wat gewaarborgd moet blijven.

Daarnaast zorgt het toestaan van zichtbare uitingen van persoonlijke overtuiging voor onnodige discussies en ongewenste confrontaties op straat. Zo schetst Van ’t Wout het scenario van een slachtoffer van antihomoseksueel geweld dat geconfronteerd wordt met een politieagent die uitstraalt een bepaalde religie aan te hangen waarin homovriendelijkheid geen evidente plaats heeft.

De aantrekkelijkheid van neutraliteit

Op het eerste gezicht zijn de genoemde argumenten van Van ’t Wout sterk te noemen. Zo is het feitelijk zo dat het incorporeren van zichtbare uitingen van persoonlijke (levens)overtuiging op grond van de beoogde neutraliteit niet toegestaan wordt. Maar het is juist dit uitgangspunt dat ter discussie staat. Tevens is het door Van ’t Wout geschetste scenario inderdaad voorstelbaar en onwenselijk. Het is voorstelbaar dat een dergelijk slachtoffer zich allesbehalve prettig voelt in de genoemde confrontatie. Al met al is neutraliteit een belangrijk streven, aangezien we in een land willen leven waarin iedereen gelijkwaardig is voor de wet en als zodanig behandeld wordt.

De vraag die knaagt, echter, is de volgende: garandeert een neutrale uitstraling dat persoonlijke overtuigingen geen invloed hebben op het juist functioneren van een politieagent?

De schijn van neutraliteit

Laten we het eerder geschetste scenario nogmaals analyseren: het slachtoffer voelt zich ongemakkelijk wanneer hij geconfronteerd wordt met een politieagente die een hoofddoek draagt. Dit ongemak ontstaat omdat het slachtoffer geconfronteerd wordt met de hoofddoek van de politieagent, waaruit hij terecht concludeert dat de agente in kwestie een moslim is. Een hieruit voortvloeiende assumptie is dat de agente het in haar persoonlijke leven misschien niet zo op heeft met homoseksuelen, en dat maakt de situatie er niet makkelijker op. De angst is dat de agente door haar persoonlijke geloofsovertuiging haar beoordeling en behandeling van het incident laat beïnvloeden in het nadeel van het slachtoffer.

Stelt u zich nu dezelfde situatie voor, maar laat de agente in kwestie een ‘neutrale’ uitstraling hebben. Het is in dit scenario aannemelijk dat het slachtoffer door de afwezigheid van de hoofddoek er geen of minder negatieve assumpties (want dat zijn het) op nahoudt dan in het eerdere scenario. Maar is de kans op een negatieve inmenging van de persoonlijke overtuiging van de agente op de beoordeling en behandeling van het incident nu eveneens minder groot? Natuurlijk niet. Het zwaartepunt ligt bij het bewustzijn van het slachtoffer. Het uniform en de daarmee geassocieerde neutraliteit garandeert niet dat dit in woord en daad overgenomen wordt. Daarmee is de beoogde neutraliteit van het uniform een schijnneutraliteit: het zichtbare en onzichtbare liggen niet per definitie in elkaars verlengde.

Bewustzijnsverandering

Kijkende naar de functie en het takenpakket van de politieagent is het duidelijk dat het criterium voor juist of onjuist handelen dient te liggen bij precies dat: handelen. Daarmee is niet gezegd dat het belang van gezag zoals belichaamd in het uniform niet bestaat, maar wel dat het toestaan van zichtbare uitingen van persoonlijke overtuigingen (naast het uniform) geen invloed heeft op het juist functioneren van de agent. Wel is er een bewustzijnsverandering nodig. De burger dient in te zien dat angst of voorzichtigheid op grond van assumpties ingegeven door zichtbare uitingen van persoonlijke overtuiging niet meer zijn dan dat. Of de agente in het eerder genoemde scenario nu een hoofddoek draagt of niet, de eventuele negatieve invloed van haar persoonlijke overtuiging zal zich in haar handelen openbaren, en het is op grond hiervan dat de agente beoordeeld dient te worden.

Oorspronkelijke publicatiedatum: 23 mei 2017.

Zie: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1463/Neutrale-uitstraling-politieagent-biedt-schijnneutraliteit

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Waarom identiteitspolitiek onhoudbaar en potentieel gevaarlijk is.

Het idee dat er zoiets is als een statische en homogene Nederlandse identiteit, is onhoudbaar. Een dergelijk begrip veronderstelt een natuurlijk fundament dat niet bestaat.

De Nederlandse identiteit is naar de aanloop van de komende verkiezingen een veelbesproken thema. In diverse debatten pleiten lijsttrekkers voor verschillende invullingen hiervan. Hiermee doen zij net alsof er een statische, gemeenschappelijke en afgebakende identiteit bestaat. Dat is onhoudbaar en potentieel gevaarlijk.

Nationale grenzen en identiteit

We leven echter in een wereld van globalisering. Een wereld waarin afstand geen belemmering (meer) vormt voor de uitwisseling van onder andere mensen, ideeën en arbeid. Nationale grenzen definiëren een land in geografische en politieke zin, maar niet noodzakelijk in culturele zin. Cultuur is een dynamisch gegeven, en het idee dat normen, waarden en tradities onveranderlijk zijn of zouden moeten zijn is onjuist en nodigt uit tot exclusivisme.

Wanneer een politicus bijvoorbeeld suggereert dat Nederland van ‘ons’ is, wordt daarmee eenrichtingsverkeer voor nieuwkomers als norm gesteld. ‘Wij’ leven in Nederland, en ‘zij’ dienen zich aan ons aan te passen. ‘Wij’ vormen een homogeen en onveranderlijk collectief van gedeelde normen, waarden en tradities, en daar dien jij aan te conformeren. Dat is de norm. Assimileer. Dat is normaal. Doe normaal. Normaal. Doen.

Een formele en informele invulling van de Nederlandse identiteit 

Natuurlijk mogen Nederlandse burgers trots zijn op Nederland. In formele zin beschikken Nederlanders wel degelijk over een identiteit. De bepalingen in de Nederlandse Grondwet en de internationale verdragen (bijv. de UVRM) waaraan Nederland zich verbindt weerspiegelen normen waar de meeste Nederlandse burgers met recht trots op mogen zijn. Deze bepalingen zijn begrijpelijkerwijs niet eenvoudig te wijzigen en in die zin vormen zij een statische invulling van de Nederlandse identiteit. Daarmee volgt echter niet dat een informele invulling—namelijk identiteit zoals die bestaat in de privésfeer—eveneens statisch is of zou moeten zijn. Wanneer een volksvertegenwoordiger hiervoor pleit wordt het tegenovergestelde gesuggereerd, en dit is feitelijk onjuist en potentieel ontwrichtend omdat het exclusivisme en polarisatie tussen mensen rechtvaardigt.

De Nederlander

Het idee dat er zoiets is als een statische en homogene Nederlandse identiteit, is onhoudbaar omdat een dergelijk begrip een natuurlijk fundament veronderstelt dat niet bestaat: er bestaat geen natuurlijke wet die een statische of homogene definitie van ‘de’ Nederlandse identiteit rechtvaardigt. Evolutie dicteert verandering in zowel natuurlijke als culturele zin.

Tradities doen wellicht vermoeden dat een statische en typerende invulling van identiteit bestaat, maar dit is onjuist en hun bestaansrecht of waarde is er bovendien niet afhankelijk van. Ook tradities zijn (in evolutionaire zin) voortdurend aan verandering onderhevig. Cultuur of identiteit in Nederland is een dynamisch gegeven en kent vele gezichten. Die gezichten mogen er zijn zolang zij niet indruisen tegen de formele invulling van de Nederlandse identiteit. Dit impliceert tolerantie jegens nieuwkomers en vereist geen volledige assimilatie. Juist omdat de informele invulling van de Nederlandse identiteit dynamisch en heterogeen is, is het idee van volledige assimilatie onzinnig en onwenselijk. De uitwisseling van verschillende ideeën en gebruiken in de privésfeer past in een democratisch land waarin vrijheid verankert is in de Grondwet. Met ‘wij’ moeten we het doen, en iedereen die zich houdt aan de formele identiteit van Nederland, is vrij om zijn of haar eigen identiteit vorm te geven.

De mens

Het zou politici naar aanloop van de verkiezingen (en daarna) sieren wanneer ze afzien van retoriek en het begrip Nederlandse identiteit minder uniform voorstellen. Laten we de Nederlandse burger beschouwen als een individu dat niet in één culturele categorie te plaatsen is. Daarmee vervallen we niet in identiteitspolitiek en geven we niet toe aan de natuurlijke drang tot het categoriseren van mensen. Want dat is wat wij in de eerste plaats zijn: mensen. Een mens als mens beschouwen biedt ruimte voor diversiteit, begrip en tolerantie. Vooroordelen op basis van een foutieve voorstelling van identiteit hebben hier geen plaats. Laten we niet Normaal. Doen.

Wanneer iemand u vraagt in hoeverre u zich een Nederlander voelt, stel ik daarom voor om in lijn met Socrates te antwoorden: “Ik ben geen Nederlander, maar een wereldburger.”

Oorspronkelijke publicatiedatum: 8 maart 2017.

Zie: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1431/Waarom-identiteitspolitiek-onhoudbaar-en-potentieel-gevaarlijk-is

 

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

De vrijheid om voor de NIPT te kiezen weegt zwaarder dan stigmatisering.

iStock_000024500823Small

De vrees voor informele stigmatisering van vrouwen die voor een kind met Down kiezen ondanks voorafgaande bekendheid hiervan weegt minder zwaar dan de individuele vrijheid om te kiezen voor de NIPT.

Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber (ChristenUnie) heeft zich in de media uitgesproken over de stigmatisering of negatieve beeldvorming die het beschikbaar maken van de NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test) teweeg zal kunnen brengen. De nieuwe test heeft, in tegenstelling tot de al beschikbare tests (de vlokkentest en vruchtwaterpunctie), het voordeel dat er geen risico is op een miskraam. Het gemak waarmee de test kan worden toegepast alsook onwetendheid bestaande onder zwangere vrouwen zijn voor Dik-Faber redenen om hier voorzichtig mee om te gaan. Sterker, het onvoorwaardelijk beschikbaar maken van de NIPT zal er volgens haar voor zorgen dat vrouwen met een kind met het Downsyndroom zich zullen moeten verantwoorden tegenover anderen en zo wijdverspreide stigmatisering in de hand werkt. Los van de vraag of de vrees voor stigmatisering reëel is mag dit mijns inziens geen afbreuk doen aan de individuele vrijheid van iedere vrouw om onvoorwaardelijk voor de NIPT te kunnen kiezen.

De bovengenoemde politica pleit voor een inclusieve samenleving “waar iedereen welkom is, ongeacht beperkingen of talenten.” Dik-Faber plaatst als zodanig ethische kanttekeningen bij de gevolgen van het onvoorwaardelijk beschikbaar stellen van de test. Er bestaat de vrees dat er uiteindelijk een ‘Down-loze’ samenleving zal ontstaan. Ze zegt hierover: “We zien dat het steeds minder begrepen wordt als je de test niet doet. In landen als Denemarken en IJsland worden alle zwangere vrouwen gescreend als zij een kindje verwachten met Downsyndroom. In Denemarken wordt 98 procent [van de zwangerschappen] afgebroken, in IJsland 100 procent. Dat is een scenario wat ik niet goed voor me zie als het gaat om Nederland.”

 

Het christelijk gedachtegoed en een Down-vrije samenleving

Voormalig lijsttrekker Arie Slob deelt de vrees van Dik-Faber in deze kwestie. Zo pleitte hij op een partijcongres vorig jaar eveneens voor een ‘Downbehoudende’ samenleving: “Welke beperking je ook hebt, ieder kind mag geboren worden. Wij willen geen Down-vrije samenleving!”.

Opererend vanuit het christelijke gedachtegoed zijn de redeneringen van de politici goed te begrijpen. Vanuit dit perspectief is namelijk ieder leven een geschenk van God en dit dient als zodanig gewaardeerd te worden. Morrelen in het zwangerschapsproces is in dat opzicht een verstoring van iets dat ‘zo had moeten zijn’. Het is daarom niet verrassend dat een verhoogde frequentie van abortus als gevolg van betere, risicovrije —en in dit geval onvoorwaardelijke— diagnostiseringsmethodieken voor aanhangers van de ChristenUnie niet als vooruitgang wordt gekwalificeerd, maar eerder worden gevreesd of op morele gronden worden afgekeurd.

Dát het eenvoudiger beschikbaar stellen van de NIPT voor een verhoogde maatschappelijke druk kan zorgen om de test te doen is een legitieme zorg en moet uiteraard serieus genomen worden. Maar dit mag niet zwaarder wegen dan de mogelijkheid van de zwangere vrouw om op basis van individuele vrijheid voor de NIPT te kunnen kiezen.

En wat is er nu precies mis met het streven naar een Down-vrije samenleving? Dit impliceert namelijk geenszins dat de nog bestaande individuen met het syndroom (wettelijk) benadeeld worden. Het is zogezegd geen verwijt naar bestaande kinderen met de aandoening. Het is zeker geen signaal dat bestaande of toekomstige kinderen met Down niet welkom zijn. In die zin zijn de opmerkingen van Dik-Faber en Slob mijns inziens onzinnig en niets meer dan lege retoriek te noemen.

Het is de taak van de overheid om te garanderen dat kinderen die op grond van een vrije keuze wel met het syndroom geboren worden wettelijk gezien gelijkwaardig zijn aan kinderen zonder de aandoening. Wanneer dit wordt gegarandeerd zijn kinderen met de aandoening net zo welkom als kinderen zonder de aandoening. Natuurlijk sluit dit stigmatisering van ouders die voor een kind met het syndroom kiezen niet uit. Maar niet-wettelijke stigmatisering kan en mag niet zwaarder wegen dan de individuele vrijheid van zwangere vrouwen om voor de NIPT te kunnen kiezen. Individuele vrijheid is een groot goed en moet gegarandeerd worden zolang dit geen afbreuk doet aan de vrijheid van de ander.

 

Technologische ontwikkeling en respect voor Down

Uiteraard neemt het bovenstaande niet weg dat ontwikkelingen op het gebied van genetische screening en de beschikbaarheid daarvan voor de bevolking beoordeeld moeten blijven worden door experts en andere belanghebbenden in het veld. Zo kan men zich afvragen of het onvoorwaardelijk beschikbaar maken van screening van ernstige ziektes niet het begin zal inluiden van een tijdperk waarin de betekenis van ziekte en gezondheid zodanig verschuiven dat het maatschappelijke ontwrichting tot gevolg kan hebben. Het is daarom van het grootste belang dat men ethische vragen omtrent dergelijk onderzoek blijft stellen en ingrijpt waar dit nodig blijkt. Niet zelden hobbelt beleid achter de snelheid van wetenschappelijke ontwikkelingen aan en derhalve is tijd en voorzichtigheid gewenst.

Hieruit volgt echter niet dat de individuele vrijheid om voor de NIPT te kiezen voorwaardelijk moet blijven vanwege de vrees voor stigmatisering en een Down-vrije samenleving als mogelijk gevolg hiervan. Los van de vraag of deze vrees werkelijk gegrond is moet men erkennen dat het eventueel afstevenen naar een Down-vrije samenleving geenszins verminderd respect voor (nog) bestaande mensen met het syndroom hoeft in te houden. En zeker niet in een land waar individuele vrijheid zo hoog in het vaandel staat als in Nederland.

 

Zie ook: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1183/De-vrijheid-om-voor-de-NIPT-te-kiezen-weegt-zwaarder-dan-stigmatisering

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Hoe het ontbreken van een objectieve toetssteen een islamitische typering van IS mogelijk maakt.

Als er één vraag bestaat die nog steeds relevant lijkt, is het hoe we het handelen van de IS dienen te kwalificeren. De meningen hierover lopen sterk uiteen. Daar waar sommige experts benadrukken dat IS’ handelen alles behalve een islamitische grondslag heeft, wordt deze eerste opvatting door sommigen afgeschreven als een uiting van (politieke) correctheid. Zo dient IS’ handelen volgens alternatieve benaderingen als islamitisch pur sang te worden opgevat.

140619_isil_iraq_mn_905_f8e475

Dat IS’ handelen vanuit een humaan standpunt gruwelijk is staat niet ter discussie. Zo is het evident dat menig christen, atheïst, jood en een overgrote meerderheid van moslims zich (openlijk) distantiëren van zowel de gruwelijkheid van IS’ handelen alsook hieraan voorafgaande (religieuze) legitimeringen. Rechtvaardigheidsgevoelens alsook empathische vermogens lijken op het eerste gezicht dieper en uniformer geworteld in de huidige menselijke natuur dan de overdaad aan categorieën waarin we individuen maar al te graag willen plaatsen doet suggereren. Echter zijn het nu juist mogelijke religieuze legitimeringen die onderzocht moeten worden. Dit is niet enkel interessant voor theoretici, maar het lijkt ook van belang voor een effectieve ontmanteling van IS’ functioneren.[1]

Over de legitieme vraag of en in welke mate religieuze ideologie als werkelijke drijfveer functioneert in diegenen die heil vinden als IS-aanhanger wil ik hier niet ingaan. Ook zal ik niet uitweiden over de praktisch relevante vraag in welke mate andere factoren (zoals sociaaleconomische status, marginalisering en discriminatie) leiden tot radicalisering. Wel zal ik hier een meer abstract punt maken en betogen dat er potentieel gevaar huist in religieuze geschriften op zichzelf beschouwd. En de voornaamste reden die ik zal beschrijven is dat dit met name komt doordat deze een spectrum van interpretaties toestaan zonder dat er een onafhankelijke objectieve toetssteen bestaat aan de hand waarvan dergelijke interpretaties als ongeldig dan wel valide kunnen worden gekwalificeerd. Tevens zal ik benadrukken dat het nu juist deze ambiguïteit is dat als carte blanche kan functioneren voor de rechtvaardiging van om het even welk handelen—zelfs indien de achterliggende interpretatie radicaal afwijkt van de norm (vox populi).

 

Een spectrum van interpretaties

Binnen de islam bestaan er verschillende geleerden, en de hoogste autoriteit wat betreft kennis van de islamitische geschriften wordt vaak toegekend aan de ‘oelama’.[2] Toch zien we een grote verscheidenheid aan stromingen binnen de islam, en elke stroming houdt er haar eigen interpretatie van de geschriften op na.[3] Men zou misschien zelfs kunnen stellen dat er net zoveel interpretaties bestaan als dat er gelovigen zijn. Deze diversiteit als gegeven op zichzelf geeft op het eerste gezicht al blijk van de onenigheid die er bestaat wat betreft de status van de geschriften in kwestie en de interpretatie van de inhoud ervan.[4] Dat er op grond van deze onenigheid sektarische conflicten ontstaan is niet enkel betreurenswaardig te noemen, ook geeft het radicale groeperingen als IS de mogelijkheid om rechtvaardiging te vinden in haar eventuele ideologische grondvesten simpelweg omdat er geen onafhankelijk, objectief criterium is dat dit fundament ipso facto kan ondermijnen.

 

Het ontbreken van een objectief criterium

Bij de bepaling van het islamitische gehalte van groeperingen als IS blijkt het verleidelijk om dit gehalte überhaupt geen bestaansrecht te verstrekken.[5] In lijn met deze opvatting is de observatie dat de overgrote meerderheid van de totale moslimpopulatie zich lijkt te distantiëren van IS’ handelen.[6] De genoemde verleidelijkheid is vanuit een politiek-strategisch perspectief misschien te verklaren doordat het ontkennen van het islamitische gehalte van IS overeenstemt met de negatieve houding die de meeste moslims ten aanzien van IS innemen. Hier haaks tegenover kan een dergelijke strategie haar politieke vruchten afwerpen door IS’ handelen juist wél te karakteriseren als islamitisch van aard.[7] Over de vraag of de IS strikt genomen wel of niet handelt in overeenstemming met islamitisch gedachtegoed zoals het bedoeld is kan men eindeloos speculeren. En het is mijns inziens het ontbreken van een objectief criterium dat uitsluitsel van een valide interpretatie onmogelijk maakt. Maar de opvatting dat het handelen van IS geen enkele relatie heeft met islamitisch gedachtegoed is mijns inziens niet enkel theoretisch onhoudbaar, maar simpelweg paradoxaal.

Afgaande op de genoemde onenigheid wat interpretaties betreft, kan men concluderen dat er een breed spectrum aan mogelijke interpretaties bestaat, waarbij er sprake is van een geleidelijke progressie van uiterst strikte (of fundamentele) interpretaties aan de ene kant van het spectrum naar uiterst liberale interpretaties aan de andere kant.[8] Het is hier waar de epistemologische moeilijkheden de kop opsteken. Zelfs wanneer we veronderstellen dat Allah werkelijk bestaat, en de inhoud van de Koran beschouwen als diens woord, moeten we tegelijkertijd erkennen dat er zich een probleem van interpretatie voordoet. Immers, de inhoud van de Koran kan op vele manieren geïnterpreteerd worden. Zelfs de grootste kenners van deze inhoud zullen moeten inzien dat ook hun lezingen één van de vele mogelijkheden weerspiegelt.

Verder kan men ook vraagtekens plaatsen bij de methoden die dergelijke experts—en zelfs ook Mohammed—toepassen om tot de conclusie te komen dat hun lezingen valide zijn. Wanneer men zowel huidige wetenschappelijke inzichten in de menselijke psyche als methoden tot kennisverbreding ter harte neemt, zijn openbaringen op zijn best ongeloofwaardig te noemen. Combineer dit gegeven met de vertelling dat sinds de opmerkelijke verschijning van aartsengel Gabriël (Rûh-ul-Emîn) en de benoeming van Mohammed als profeet, er een lange periode aanbrak waarin de oorspronkelijke beschrijving van de al betwijfelbare openbaring de kans heeft gehad drastisch te veranderen. Het is vanuit dit perspectief bekeken dan ook niet verwonderlijk dat er vele verschillende stromingen binnen de islam zijn ontstaan, en het salafistische gedachtegoed vormt er hier een van.[9]

 

Het islamitische gehalte van IS en haar legitimering

Allereerst moet het duidelijk zijn dat het salafistische gedachtegoed wordt aangehangen door een minderheid van de soennitische moslims in de wereld.[10] Dit betekent dat het geenszins een populaire stroming vormt, aangezien een overgrote meerderheid van (soennitische) moslims zich niet kunnen vinden in dit geheel van ultraorthodoxe opvattingen. Belangrijk hier echter is dat op grond van populariteit men geen objectiviteit kan afleiden. Aangezien er zoals hierboven beschreven geen onafhankelijke, objectieve toetssteen bestaat aan de hand waarvan bepaald kan worden welke interpretatie liggende op het eerder genoemde spectrum correct is kan elke interpretatie in abstracto als valide dan wel ongeldig worden beschouwd. In die zin kunnen fundamentele interpretaties eenzelfde graad van legitimiteit verkrijgen als haar liberale tegenhangers. Het salafistische gedachtegoed kenmerkt zich door een beroep te doen op striktheid wat interpretatie van de Koran—en enkel de Koran—betreft. Nu kan het verleidelijk zijn om de impopulariteit van het salafistische gedachtegoed in de moslimwereld op grond daarvan af te schrijven als niet-islamitisch van aard, maar dat berust mijns inziens op een denkfout: feit blijft dat het typerende verlangen naar de vroege dagen van de islam alsook de nadruk op een zo strikt mogelijke interpretatie van de Koran islamitisch par excellence is. Sterker, het zou met inachtneming van het eerder genoemde spectrum logischer zijn wanneer men zeer liberale interpretaties als minder islamitisch kwalificeert, aangezien deze interpretaties niet uitgaan van strikte conformiteit aan de Koran, maar andere (bijvoorbeeld contextuele en geschiedkundige) factoren als belangrijker uitgangspunt nemen.

 

Het potentiële gevaar van religieuze ideologie

Allereerst dient duidelijk te zijn dat ik geen enkele afkeer of wrok koester ten aanzien van gelovigen in het algemeen. Godsdienstvrijheid is iets dat waardevol is en past binnen een maatschappij die pluriformiteit en ander democratische waarden respecteert. Mijns inziens houdt de vrijheid van individuen op waar het de inperking van de vrijheid van anderen impliceert. Op grond van een andere vrijheid dat hoog in het vaandel staat—namelijk vrijheid van meningsuiting—geniet ik ook de bewegingsruimte om mij kritisch uit te mogen laten over ideologie, zonder daarmee de aanhangers van de ideologie zelf te bekritiseren of simpel aan te willen zetten tot haat. Het is evident dat er een duidelijk verschil bestaat tussen ideologie en haar aanhangers. De overdenkingen die hierboven beschreven staan brengen me in ieder geval tot de conclusie dat er potentieel gevaar huist in een ideologie (en dus niet in haar aanhangers) dat aan de volgende twee criteria voldoet:

  • Het object bevat geen objectief criterium voor validatie van interpretatie.
  • Bepaalde (strikte) interpretaties van het object staan geweld toe.

Afgaande op de segmenten van de geschriften die ik gelezen heb is dit van toepassing op alle drie de monotheïstische ideologieën (zoals deze tot uiting komen in de overeenkomstige geschriften). Dit zijn criteria die serieus genomen dienen te worden, en er moet gewaakt worden voor (politieke) correctheid. Het feit dat de overgrote meerderheid van hedendaagse moslims zich (gelukkig) distantiëren van IS’ handelen impliceert niet per definitie dat het motief van (enkele hooggeplaatste aanhangers van) IS als niet-islamitisch geclassificeerd dient te worden. Naast de genoemde correctheid speelt onwetendheid van de geschriften waarschijnlijk ook een doorslaggevende rol; op basis van vele discussies met gelovigen ben ik ervan overtuigd dat menig aanhanger geen weet heeft van wat er werkelijk in de corresponderende geschriften te vinden is. Het is in dit opzicht dan ook niet verrassend dat IS’ handelen ver van de persoonlijke ideologische kaders van menig moslim verwijderd lijkt te zijn. Deze distantie echter lijkt hier eerder het gevolg te zijn van rechtvaardigheidsgevoelens of empathische vermogens die de mens typeert, en is niet per definitie toe te schrijven aan de inhoud van de geschriften zelf.

Zie ook: http://www.opiniestukken.nl/opiniestukken/artikel/1048/Het-islamitische-gehalte-van-IS-en-haar-legitimering

[1] Zie: http://www.theatlantic.com/magazine/archive/2015/03/what-isis-really-wants/384980/.

[2] http://encyclopedia.thefreedictionary.com/Allamah.

[3] Deze diversiteit aan interpretaties is ook kenmerkend voor de andere twee monotheïstische godsdiensten, maar gezien de strekking van het onderwerp in kwestie ga ik hier verder niet op in.

[4] http://www.pewforum.org/2012/08/09/the-worlds-muslims-unity-and-diversity-executive-summary/.

[5] Zelfs Barack Obama ontkent haar islamitische karakter als zodanig, zie: https://www.youtube.com/watch?v=spIWGoNZnaU.

[6] Zie bijvoorbeeld: http://english.dohainstitute.org/content/6a355a64-5237-4d7a-b957-87f6b1ceba9b. En ook: https://www.youtube.com/watch?t=49&v=2Bd0Y6qWmlA.

[7] Zie bijvoorbeeld Wilders over het islamitische gehalte van IS: https://www.youtube.com/watch?v=Yl353uqTkuA.

[8] Voor een beknopt overzicht van de vele denominaties binnen islam, zie: http://www.majorreligions.com/islamic_denominations.php.

[9] Zie: http://www.theweek.co.uk/world-news/6073/what-is-salafism-and-should-we-be-worried-by-it.

[10] Zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Sunni_Islam#Adherents en https://en.wikipedia.org/wiki/Salafi_movement#Demographics.

Posted in Pseudofilosofie | Leave a comment

Diversiteit prijzen omwille van diversiteit: een prijzenswaardig criterium?

Vandaag viel mijn oog op een artikel waarin de filosoof Sebastien Valkenberg zijn visie geeft op de hedendaagse rol van diversiteit als criterium en de ogenschijnlijke inconsistentie vanuit feministische hoek waar het het belang van diversiteit aangaat. Valkenberg werd kort hierna kritisch beoordeeld door studente Emma den Brok en schrijfster Nikki Dekker. (Een repliek op de laatste twee is hier te vinden.)

Los van de artikelen in hierboven vind ik het vreemd dat diversiteit omwille van diversiteit positief wordt gewaardeerd, zoals de ‘werkgroep Diversiteit’ in Valkenbergs artikel doet vermoeden. Natuurlijk kan het benadrukken van diversiteit een positieve waarde hebben in de zin dat het de onwetende mens kan doen laten inzien dat voor menig beroep niet-relevante factoren (zoals afkomst, huidskleur, geslacht of seksuele geaardheid) in principe geen invloed dienen te hebben op de bekwaamheid voor het beroep in kwestie.

Het belangrijkste in deze kwestie is mijns inziens dat er een omgeving dient te worden gecreëerd waarin ieder individu gelijkwaardige kansen krijgt. Indien dat werkelijk gerealiseerd is doet het er niet meer toe of diegene die het meest bekwaam wordt bevonden voor het beroep in kwestie toevallig ook een vanuit Somalië afkomstige lesbienne blijkt te zijn. Dat betekent uiteraard niet dat voor specifieke beroepen niet om een specifiek profiel gevraagd mag worden. Het is wat mij betreft niet meer dan redelijk dat men een specifiek profiel op het oog heeft wanneer er vraag is naar een beveiliger binnen een beruchte penitentiaire inrichting. Discriminatie is immers niet ipso facto te identificeren met bevooroordeeldheid of racisme. Discrimineren doen we namelijk allemaal, en dat is ook nodig in de complexe wereld waarin we leven.

Discrimineren is strikt genomen een term met een neutrale betekenis. Zo ook lijkt de mens dikwijls bevooroordeeld in haar reacties. Bevooroordeeld zijn kan opgevat worden als een relatief snelle methode om te reageren op een situatie zonder alle hiervoor beschikbare relevante elementen te incorporeren als zodanig. Dit kan zeer wel als natuurlijk instrument dienen om om te kunnen gaan met de overdaad aan prikkels in de wereld van tegenwoordig. Er is simpelweg teveel informatie beschikbaar in ons informatietijdperk dat ervoor zorgt dat—wanneer de tijd dringt—het bijna noodzakelijk wordt om een bevooroordeelde doch bescheiden houding in te nemen. En het is juist deze bescheidenheid dat op een voetstuk geplaatst dient te worden. Het gaat immers pas mis wanneer deze fenomenen niet als zodanig worden (h)erkend: discrimineren en kortzichtig zijn (als functie van het bevooroordeeld zijn) zonder een bescheiden bewustzijn van het noodzakelijk gemis van de volledige informatie maakt mensen niet enkel onwetend en pretentieus, sterker, het kan indien hieraan structureel wordt vastgehouden leiden tot potentiële sociale ontwrichtende gevolgen voor onze prachtige diverse maatschappij.

Diversiteit

Image | Posted on by | Leave a comment